Ze smijt de deur dicht. Voor de gesloten deur zakt ze in elkaar. Het lijkt alsof alle kracht ineens uit haar weggevloeid is. De deurbel blijft gaan. ‘What do you want?!’ gilt ze.‘Let me in. I can help you.’
‘I don’t need help. My soul can’t be saved. Go harass someone else.’
‘Open the door or I will call an ambulance. I saw your foot. I don’t think they will let you go, once you are in the hospital. They will think they can help you. Now, open the door.’
‘So call them. I don’t care.’
‘Oh, no. I don’t want to make it that easy for you. A few pills, huh? I know your kind. No baby. Open the door.’
‘What ‘s your thing?! Why bother me? It seems like you have enough on your own.’
‘Maybe I do. Maybe I don’t. But that doesn’t matter. It’s you that bothers me. As I said, I recognize one, when I see one.’
‘What’s that suppose to mean?’
‘Let me in and I’ll tell you.’Iets in haar zegt dat hij niet zomaar weg gaat. Straks hoorden de buren het ook nog. Die hielden haar toch al zo in de gaten. De blikken van de andere flatbewoners zeiden genoeg. ‘Jij hoort hier niet’. Als ze al naar haar keken. Maar ook dan voelde ze de afkeer. Ze zochten al tijden naar een aanleiding om haar te ‘helpen’ verhuizen.
Zuchtend doet ze de deur open en laat hem binnen. Hij loopt haar voorbij en stapt haar slaapkamer binnen. Ze ziet hem staren naar de glasscherven op de vloer. De wijn op de muur. Het bloed in het bed. De verfrommelde lakens. De lege flessen in een hoek. De condoomverpakking. De foto van haar moeder.
Zwijgend kijkt hij haar aan. Zijn blik houdt haar vast. Geen medelijden. Ze ziet iets anders. Intens verdriet. Het raakt haar. Opeens stromen de tranen weer over haar wangen. Huilend laat ze zich van de muur op de grond glijden. In de volgende seconde is hij bij haar. Tilt haar op. Legt haar op bed. ‘Now, stay here.’
Geen opmerkingen:
Een reactie posten