zaterdag 4 juni 2011

De ontmoeting (I)

Met veel moeite had ze zich uit bed gehesen. Kleren aangetrokken. Een vleugje lipgloss en een beetje mascara. Vandaag moest ze maar weer eens naar buiten. Wankelend stapte ze in de lift. Het felle buitenlicht verblindde haar. Ze voelde een stekende hoofdpijn opkomen. Minder drinken. Dat zou beter zijn. Zoals zoveel dingen beter waren. Snel griste ze haar zonnebril uit haar tas. Ze voelde zich meteen beter. Het gevoel van anonimiteit. Onzichtbaar zijn. Al voelde ze de starende blikken nog steeds. Alsof ze zagen wat zij was. Wie zij was.
In de supermarkt dwaalde ze even over de groente- en fruitafdeling. In haar mandje ontstond een bonte verzameling van kleuren. ‘Je moet eten in de kleuren van de regenboog.’ Ze hoorde het haar moeder nog zeggen. Had ze maar beter naar haar geluisterd. 1,5 meter van de groente- en fruitafdeling lagen verschillende flessen uitgestald. Verstand had ze er niet van. Het ging om het etiket. Accent van kersen of toch maar die met een vleug vanille? Ze kon niet beslissen. De keuze – het moeten kiezen - maakte plots dat ze spijt had van haar besluit om naar buiten te gaan. Het eeuwige moeten kiezen. Het dreef haar tot waanzin. Ze voelde de tranen prikken in haar ogen. Dan maar allebei. Dan kon ze later alsnog kiezen.
Snel begaf ze zich naar de kassa. ‘Dat is dan 21,39 euro, mevrouw.’ Mevrouw?! Ze was verdomme pas 25! Zwijgend stak ze het kassameisje een briefje van 50 toe en incasseerde het wisselgeld. Ze moest snel aan geld zien te komen. Met wat ze nu nog had zou ze nog maar een maand halen. Misschien twee. Als ze zuinig deed.
Met de boodschappen begaf ze zich naar buiten. De zon was doorgekomen. Eigenlijk best lekker weer, dacht ze. Ze besloot om door het stadspark naar huis te lopen. Ze hield van de herfst. De vallende bladeren. De kleuren. Rood, oranje, bruin. Geen bloei, maar verval.
Het was rustig in het park. Op een man met een hond in de verte na zag ze niemand. Dat beviel haar wel. Ze plofte neer op een bankje en scheurde de verpakking van de dadels open. Hongerig stopte ze er een paar in haar mond.
Ze inhaleerde de stilte. Misschien was het toch een goed besluit. Zo rustig had ze zich in tijden niet gevoeld. De hoofdpijn was ook weg. Ze stak een sigaret op en keek op haar horloge. Twee uur. De uren waren voorbijgegleden. Waar de tijd haar eens gevoelens van onrust en vooral onmacht bezorgde, deed het haar nu niets meer. Ze had de tijd. Ze besloot voor het kersenaccent te gaan. Toch makkelijk, zo’n schroefdop. Ze zette de fles aan haar mond en nam een paar slokken. Ze voelde de wijn branden in haar keel. Gulzig nam ze er nog een paar. Te gulzig. Ze proestte het uit.
‘Are you okay, miss?’ Ze keek naar de hand op haar schouder. Groezelig. Nagels met zwarte randen. Voor haar stond een donkere man. Ongewassen. Zijn kleren een afspiegeling van zijn bestaan. Geïrriteerd keek ze naar hem op. Ze schatte hem zo’n jaar of 40. Misschien jonger. De heldere groene ogen verrasten haar. Intrigeerden haar. Zwijgend ging hij naast haar zitten. Ze zag hem kijken naar de fles. Ach ja, what the hell, dacht ze. Ze bood hem de fles aan. Hij schudde zijn hoofd. ‘I don’t drink baby. And you shouldn’t, either.’

Geen opmerkingen:

Een reactie posten