Met trillende handen steekt ze de sleutel in het slot. De toegangsdeur zwaait open. Ze besluit om de trap te nemen. Een kleinere kans om medebewoners tegen te komen.
In haar appartement ploft ze neer op haar bed. Ze steekt een sigaret op en graait naar de fles, die inmiddels bijna leeg is. Ze smijt hem tegen de muur. Het glas en de rode vloeistof spatten alle kanten op. Ze kijkt naar de foto van haar moeder. Opeens stromen de tranen over haar wangen. Ze wankelt naar de badkamer. In het badkamerkastje zoekt ze naar pijnstillers. Op. Natuurlijk. Godverdomme! In een beweging maait ze alle spullen van de plank af. Parfum, poeder, crèmes. Alles valt kapot, in de wasbak, op de vloer.
Terug in de slaapkamer voelt ze een pijnlijke steek in haar voet. Ze kijkt ernaar. Een grote glasscherf steekt uit haar voet. Ze strompelt naar het bed. Gefascineerd kijkt ze nog eens naar de glasscherf. Het bloed sijpelt over haar voet. Voorzichtig wrikt ze hem eruit. Nu gutst het bloed eruit. Misschien moet het wel gehecht worden. Nou ja, wat als. Al bloed ik dood. Met haar gewonde voet kruipt ze terug in bed. Al snel ontstaat er een dieprode vlek in het laken. Ze doet haar ogen dicht. Oh, wat zou ze graag wegzinken in een diepe slaap. Nooit meer wakker worden.
Het geluid van de deurbel verstoort haar poging. Geïrriteerd komt ze omhoog. Het is de bel van haar voordeur, niet de deurbel van beneden. Één van haar buren misschien. Ze besluit het te negeren. De deurbel gaat nog eens. En nog eens. Steeds luider lijkt wel. Ze probeert haar voet in een slof te steken. De pijn vlamt op. Ze slaat een badjas om en hinkt naar de voordeur. Op het haakje doet ze de deur open. Geschokt kijkt ze in twee heldergroene ogen. Het is de man uit het park.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten